Uw kostprijs en de Wet Arbeidsmarkt in Balans

Uw kostprijs en de Wet Arbeidsmarkt in Balans De WAB komt er echt! Het is duidelijk: de Wet Arbeidsmarkt in Balans komt. Toen ik dit artikel schreef, was er nog niet gestemd, maar ik ben ervan uit gegaan dat de voor de kostprijs relevante moties ook zijn aangenomen. Ook al is de manier waarop een en ander precies wordt vormgegeven nog niet bekend, het effect van de WAB op de kostprijs van uitzenden, detacheren en payrollen kan desondanks al tamelijk nauwkeurig worden berekend. Naast de kostprijs raakt de WAB natuurlijk veel meer onderdelen van uw bedrijfsvoering. Daarom organiseren ARTRA, FlexKnowledge en VRF Advocaten in april op drie verschillende locaties in totaal zes seminars over de WAB. Tijdens die seminars komen alle aspecten van de WAB aan bod. Meer informatie vindt u hier. De kostprijsfactor In dit artikel kijk ik vooral naar het effect op de kostprijsfactor en veel minder naar het effect op de kostprijs in geld. De kostprijsfactor is het getal waarmee bruto bedragen worden vermenigvuldigd en bij elkaar leiden die tot de kostprijs in geld. Die factor is in sector 52 ongeveer 1,65 voor normale uren, 1,40 voor structurele toeslagen of vergoedingen zoals ADV en 1,30 voor overwerk en bruto vergoedingen, zoals een bonus. Een voorbeeld: Stel het uurloon is €10,- en er is € 0,50 ADV. De kostprijs in geld is dan (10 x 1,65) + (0,50 x 1,40) = 16,50 + 0,70 = € 17,20. De kostprijsfactor van het geheel (de ‘gewogen’ kostprijsfactor) is dan 17,20/10 = 1,72. Het getal waar ik me in dit artikel op concentreer zijn de kostprijsfactoren voor de normale uren. In het voorbeeld dus die 1,65. Wat gaat dat worden ná de komst van de WAB? De verschillende maatregelen De WAB bevat een groot aantal maatregelen die niet op alle soorten dienstverlening in de flexbranche dezelfde impact hebben. Hieronder beschrijf ik de meest in het oog springende gevolgen. In de WAB wordt het oproepcontract gedefinieerd. Dat zijn alle contracten die niet aan een de volgende voorwaarden voldoen: een vast aantal uren, een vast loon per periode en géén uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting. In de praktijk vallen dus bijna alle contracten in de flexbranche onder de definitie van oproepcontract. Het belangrijkste gevolg hiervan voor de kostprijs, is de loondoorbetalingsverplichting die (zoals het er nu naar uitziet ook in fase A, 1 en 2) gaat ontstaan als roosters kort van tevoren wijzigen of als er wordt afgezegd. Een andere maatregel met forse impact is het afschaffen van de sectorindeling voor de premie Sectorfonds. Voor de Whk blijft de sectorindeling nog enkele jaren gehandhaafd. Voor de huidige premies komen er voor alle werkgevers twee verschillende terug: een lage premie van 2,78% en een hoge premie van 7,78%. Deze getallen heeft de minister 31 januari jl. tijdens het debat met de Tweede Kamer genoemd. De lage premie mag alleen worden gebruikt als een contract geen oproepcontract is én voor onbepaalde tijd is afgesloten. Daarnaast is duidelijk beschreven wanneer met terugwerkende kracht alsnog de hoge premie geldt. Voor de flexbranche is dan vooral van belang dat als het werkelijke aantal uren meer dan 30% hoger is dan wat vooraf is afgesproken, er gecorrigeerd moet worden naar de hoge premie. Dus als er een contract wordt gegeven in fase C of 4 voor 24 uur per week en er wordt uiteindelijk meer dan 31,2 uur gemiddeld gewerkt, dan moet met terugwerkende kracht tot maximaal 12 maanden alsnog 5% extra premie worden betaald over het SV-loon. Bovenstaande maatregelen gelden voor álle werkgevers, dus niet alleen voor uitleners. Voor de flexbranche komt daar het afschaffen van de sectorverloning nog bovenop. Dus waar uitleners nu misschien maar 1% premie Sectorfonds betalen, wordt dat volgend jaar dus bijna altijd 7,78%. En daar blijft het niet bij. De premie ZW-flex (onderdeel van de Werkhervattingskas) is in een vaksector gemaximeerd op 1,72% en in sector 52 op 8,48%. Dus een uitlener die nu het maximum van 1,72% betaalt, wordt volgend jaar met een éxtra stijging geconfronteerd, want dan gaat hij de échte schadelast betalen. Hoe hoog die is, staat vermeld op de beschikking van de Whk. Op basis van de vele kostprijsberekeningen die wij maken, schatten wij dat dit bij meer dan de helft van de bedrijven die nu in de vaksector verloont, zal spelen. Voor payrollbedrijven heeft de minister aangekondigd dat die niet naar sector 52 gaan, maar naar sector 45. Voor de premie Sectorfonds maakt dat niet uit, want die wordt altijd 2,78 of 7,78%. Voor grote werkgevers (meer dan ong. 3,5 miljoen loonsom) is de premie Whk ook niet afhankelijk van de sector. De vraag die nu nog open staat, is of die 1,72% als maximum premie voor de ZW-flex blijft bestaan voor andere sectoren dan sector 52, of dat dat maximum gaat vervallen. Ik heb dat nog nergens zien staan, maar ik ben bang dat die gaat vervallen. Dus dat betekent dat de er geen voordeel is van sector 45 boven 52 voor uitleners. Payrollbedrijven krijgen ook nog te maken met een fors uitgebreide inlenersbeloning. De meeste daarvan hebben vooral impact op de uiteindelijke kostprijs in geld, maar niet op de factoren. Dat geldt echter niet voor de pensioenpremie. Tijdens het debat is een motie ingediend om payrollbedrijven te verplichten minstens een werkgeverspremie te laten betalen die het gemiddelde is van alle pensioenpremies en er werd gesproken over 14%. Laten we ervan uitgaan dat dat de premie wordt, waar nu maximaal 8% geldt. Dit zijn bruto premies. Door de franchise wordt dat netto een lagere premie, maar het betekent wel een stijging tot 75%! Ervan uitgaande dat het werknemersdeel 1/3 van de totale premie blijft, stijgt de totale bruto pensioenpremie van 12 naar 21%. Ook de werknemer zal dat dus stevig voelen in zijn netto loon. Voor payrollkrachten zullen ook meestal hogere percentages voor scholing en sociaal fonds gaan gelden (ook in fase B en C of 3 en 4!), maar dat effect kunnen we nog niet inschatten en hebben we in onze berekeningen dus niet meegenomen. Een volgend effect op de kostprijs is de hogere voorziening die moet worden getroffen voor ziekte en leegloop. Payrollbedrijven krijgen te maken met het ketensysteem van de opdrachtgever en zullen dus veel langere contracten (moeten) aanbieden dan nu vaak gebeurt en dus worden de risico’s die moeten worden afgedekt, groter. En als laatste de transitievergoeding. Waar we voor 2019 adviseerden met 1% voorziening te werken, wordt dat vanaf 2020 de volle 2,8%. Dat is het percentage van de loonsom dat je nodig hebt om straks vanaf dag 1 transitievergoeding te betalen. De reden dat wij 2,8% opnemen, is dat het in de praktijk heel lastig wordt om aan te tonen wie in fase A, 1 of 2 het initiatief heef genomen om de overeenkomst te beëindigen. Ik ben bang dat de uitlener als snel aan het kortste eind zal trekken in een dergelijke discussie. Daarnaast hoor ik van juristen dat ze verwachten dat de transitievergoeding onderdeel wordt van de eindafrekening met de werknemer. Klein lichtpuntje is dat de scholing voortaan wel mag worden verrekend met de transitievergoeding, waar dat nu in de praktijk voor uitleners niet mogelijk is. Het effect in getallen Samengevat is het effect op de kostprijsfactor dus als volgt: Beperkte leegloop in fase A, 1 en 2; Grofweg verdrievoudiging van de premie sectorfonds in sector 52 en nog veel forsere verhoging voor bedrijven die nu in een vaksector verlonen. Deze verhoging geldt echter ook voor veel reguliere werkgevers; Waarschijnlijk veel hogere premie Whk voor bedrijven die nu in een vaksector verlonen; 75% hogere pensioenpremie voor payrollers en mogelijk nog meer. 2,8% transitievergoeding voor alle werknemers Dit alles werkt natuurlijk door in de kostprijs in geld, waarbij payrollwerkgevers ook nog te maken krijgen met een veel uitgebreider pakket voor de beloning. In onze berekeningen gaan we voor uitzenden uit van de waardes in fase A zonder uitzendbeding en basisregeling StiPP zoals die gelden voor 2019 en veranderen we voor 2020 in sector 52 alleen de premie sectorfonds naar 7,78%. Voor de vergelijking in de vaksectoren die volgend jaar naar sector 52 gaan, passen we de Whk voor 2020 aan naar de sectorale premie Whk zoals die dit jaar geldt voor sector 52, dus bij elkaar 6%, waarvan 0,575% door de werknemer wordt betaald. Voor het verzuim gaan we in zowel 2019 als 2020 uit van 3% en voor leegloop in fase A 0,5% na de invoering van de WAB. Voor de factoren voor payrolling gaan we uit van fase B met Pluspensioen op basis van een bruto uurloon van € 12,50. Door de franchise komt dat overeen met een netto werkgeverspremie voor StiPP van 4%. Ook hier gaan we voor het verzuim uit van 3% en we hanteren 1% leegloop, maar voor contracten van langer dan een half jaar is dat waarschijnlijk te weinig. In onderstaande tabel vergelijken we de kostprijsfactoren voor normale uren in sector 52 met de veel voorkomende vaksectoren 20 Havenbedrijf (magazijnwerkzaamheden), 45 Zakelijke dienstverlening III (administratief ondersteunend) en 51 Algemene industrie (inpakwerkzaamheden), zowel voor uitzenden in fase A zonder uitzendbeding als voor payrolling in fase B. Sector 2019 2020 Verschil Uitzenden Fase A 52 1,6502 1,7506 6,08% Fase A 20 1,5756 1,7506 11,11% Fase A 45 1,5755 1,7506 11,11% Fase A 51 1,5856 1,7506 10,41% Payrolling Fase B 52 1,6685 1,7943 7,54% Fase B 20 1,5932 1,7943 12,62% Fase B 45 1,5931 1,7943 12,63% Fase B 51 1,6033 1,7943 11,91% In bovenstaande berekeningen zijn we uitgegaan van de sectorale premies voor de Whk. Stel echter dat het gaat om een uitlener die nu in de vaksector is ingedeeld en die zijn verzuim(beleid) de afgelopen jaren heeft verwaarloosd. Die betaalt nu maximaal 1,72% voor de ZW-flex. Door de indeling in sector 52 vanaf 2020, kan die premie doorschieten naar 8,48%. Dat effect is hieronder uitgewerkt. Sector 2019 2020 Verschil Uitzenden Fase A 52 1,6962 1,7969 5,94% Fase A 20 1,5756 1,7969 14,05% Fase A 45 1,5755 1,7969 14,05% Fase A 51 1,5856 1,7969 13,33% Payrollen Fase B 52 1,7150 1,8408 7,34% Fase B 20 1,6025 1,8408 14,87% Fase B 45 1,6087 1,8408 14,43% Fase B 51 1,6135 1,8408 14,09% Het verschil in geld voor een payrollwerkgever Bovenstaande stijging geldt alleen nog maar voor de factor. Maar stel dat het gaat om een payrollwerknemer in fase B met Pluspensioen die een bruto uurloon van € 12,50 heeft. Die werknemer kost in 2019 € 21,44. Stel dat de waarde van de aanvullende arbeidsvoorwaarden waar hij recht op krijgt 10% is en dat dat verdisconteerd moet worden in het uurloon. Dat stijgt dan naar € 13,75 en dat kost in 2020 ineens € 25,31. Een stijging van meer dan 18%. Wordt diezelfde werknemer nu nog in een vaksector verloond, dan stijgt de kostprijs zelfs meer dan 25%! Payrollen Sector 2019 2020 Verschil Fase B 52 € 21,44 € 25,31 18,07% Fase B 20 € 20,03 € 25,31 26,36% Fase B 45 € 20,11 € 25,31 25,87% Fase B 51 € 20,17 € 25,31 25,50%   Conclusie De 6% die uitzenden in fase A duurder wordt, geldt in vergelijkbare mate ook voor reguliere werkgevers en komt bijna volledig op het conto van de aanpassingen in de premie Sectorfonds. De éxtra stijging van de factoren tot ongeveer 15% komt vooral door het afschaffen van de sectorverloning en het daardoor (ook) wegvallen van de begrensde premie ZW-flex. Voor payrollwerkgevers zal de stijging nóg veel meer worden, omdat ook de extra arbeidsvoorwaarden betaald moeten worden. Dan kan de stijging van de kostprijs in geld oplopen tot meer dan 25%. Als een Kamerlid naar bovenstaande tabellen kijkt, zal zijn conclusie vast zijn: mission accomplished! Als een ondernemer naar bovenstaande tabellen kijkt zal hij denken: hier wordt een branche vermoord. De waarheid zal vast ergens in het midden komen te liggen. Eén ding staat echter vast: flex wordt duurder. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de gevolgen van de WAB voor de backoffice payrollers…. Marcel Reijmers, directeur FlexKnowledge Naast de kostprijs raakt de WAB natuurlijk nog veel mee onderdelen van uw bedrijfsvoering. Daarom organiseren ARTRA, FlexKnowledge en VRF Advocaten in april op drie verschillende locaties in totaal 6 seminars over de WAB. Tijdens die seminars komen alle aspecten van de WAB aan bod. Meer informatie vindt u hier.
flexnieuws
04-02-2019 09:14